JavaScript is required for this website to work.
BINNENLAND

Kritiek op rechterlijke uitspraken ondermijnt de rechtsstaat niet

ColumnMarc Bossuyt17/12/2023Leestijd 3 minuten

foto © Belga/DB

Hoe hoger geplaatst op de juridische piramide, hoe meer bescheidenheid is geboden, schrijft Marc Bossuyt.

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Als abonnee kan u ook alle plus-artikelen lezen. Doorbreek de bubbel vanaf €4.99/maand.

Ik neem ook een abonnement

Wanneer wordt gesproken over de inmenging van rechters in de politiek, wordt vaak beweerd dat dit kan worden vermeden – of minstens beperkt – door het maken van duidelijkere wetten. Dat klopt voor rechterlijke uitspraken die steunen op nationale wetgeving. Eens evenwel de uitspraken steunen op verdragen, kunnen die niet worden tegengegaan door een precisering van de nationale wetgeving.

Een recent voorbeeld hiervan is het klimaatarrest van het Hof van Beroep van Brussel van 30 november 2023. In dat arrest hebben Franstalige Brusselse rechters geoordeeld dat de verdragsbepaling die het recht op leven beschermt, is geschonden door de Belgische, de Vlaamse en de Brusselse regeringen omdat zij de Europese klimaatdoelstellingen niet halen.

Een dergelijk arrest kan maar worden begrepen door wie vertrouwd is met de zogenaamde ‘activistische’ rechtspraak van het Hof van Straatsburg. Daar gaat het immers niet om het louter toepassen van wetten. Dit geldt in het bijzonder voor de rechters van het Hof van Straatsburg, maar ook voor die van het Hof van Luxemburg en van het Grondwettelijk Hof. Zij moeten de wetten beoordelen op hun overeenstemming met hogere normen.

Het probleem is niet dat deze hogere normen, in het bijzonder de mensenrechtenbepalingen in de grondwet of in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, duidelijker moeten worden geformuleerd. Dergelijke bepalingen zijn altijd op bijzonder algemene en abstracte wijze geformuleerd. Daardoor geven ze heel veel ruimte voor interpretaties die al naar gelang van de maatschappijopvatting van de rechter zeer uiteenlopend kunnen zijn. Dit geldt vooral wanneer zij oordelen over het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel.

De vereiste terughoudendheid

Naar gelang zijn maatschappijopvatting zal de rechter een verschil in behandeling al dan niet evenredig achten. Zo leidt de vaststelling van een discriminatie vaak tot een gevoelige bijkomende kost voor de staat. Naar gelang dit voor de rechter al dan niet een voorname zorg is, zal hij gemakkelijk of niet tot onevenredigheid besluiten. Gezien de waardenevaluatie bij het beoordelen van de evenredigheid, weegt het politieke element hierbij zwaar door.

Het vraagt heel wat terughoudendheid van een constitutionele rechter om een wetsbepaling die hem onwelgevallig is, niet ongrondwettig te verklaren. Het vereist een mate van zelfverloochening die niet eenieder is gegeven.

De vraag daarbij is immers niet of de rechter gelukkig is met de bestreden maatregel. Zelfs niet of hij het al dan niet een noodzakelijke maatregel vindt, laat staan of hij het een maatregel vindt die hij steunt. De vraag is of de Grondwet het aannemen ervan verbiedt. Het is maar zelden dat een dergelijk verregaand besluit zich opdringt.

Klaarblijkelijke schendingen

Zoals Quinten Jacobs onlangs schreef: ‘Rechters mogen slechts vernietigen als de regels die door een meerderheid van het parlement worden gesteund, manifest strijdig zijn met de hogere (en zeer moeilijk wijzigbare) rechtsnorm’. Kritiek op een gebrek aan terughoudendheid van rechters ondermijnt de rechtsstaat niet.

Zelf schreef ik (Tussen demagogie en hypocrisie): ‘Kritiek uitbrengen op rechterlijke beslissingen met algemene draagwijdte brengt de rechtsstaat niet in gevaar. Respect voor de rechterlijke macht vereist terughoudendheid tegenover uitspraken in individuele rechtszaken. Kritiekloze berusting is niet vereist wanneer rechters zich in de plaats stellen van de bevoegde overheid. Dat is zeker niet nodig bij beslissingen waarin zij zich als wetgever gedragen’. Vooral bij het Hof van Straatsburg komt dat nogal vaak voor.

Toen ik nog voorzitter was van het Grondwettelijk Hof, heb ik op de Universiteit van Hasselt, gezegd: ‘Rechters, in het bijzonder grondwettelijke rechters, dienen zich bescheiden op te stellen: slechts wanneer een wetgevende regel op klaarblijkelijke wijze de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden schendt, mogen zij een dergelijke regel strijdig met de Grondwet verklaren’ en ‘hoe hoger geplaatst op de ladder van de juridische piramide, hoe meer bescheidenheid is geboden. De hoogste rechters moeten hun taak met omzichtigheid en voorzichtigheid, met behoedzaamheid en terughoudendheid uitoefenen’.

Discriminatie

Vanzelfsprekend heeft het vernietigen van een wetsbepaling meestal politieke gevolgen. Op zich is dat niet problematisch en het mag niet doorslaggevend zijn voor het al dan niet vaststellen van een discriminatie. Dat is immers geen juridische maar een politieke overweging. De juridische vraag is of de maatregel in dergelijke mate het rechtsgevoel schendt, dat de vaststelling van een ongrondwettigheid zich opdringt. In een rechtsstaat komt het aan de democratisch verkozen wetgever toe om politieke keuzes te maken.

De wetgever moet rekening houden met meerdere parameters. Wetgeving voert zeer vaak verschillen in behandeling in tussen categorieën van personen. Zeer zelden gaat het om verschillen die grondwettelijk niet kunnen worden verantwoord. Alleen wanneer dat verschil een recht of een vrijheid op onverantwoorde wijze aantast, is het discriminatieverbod van toepassing.

Gezien de primauteit van de wetgever in het maken van beleidskeuzes, mag de grondwettelijke rechter maar tot de vernietiging van de maatregel besluiten als die onevenredigheid manifest is. Alleen wanneer een wetsbepaling kennelijk ongrondwettig is, mogen rechters hun oordeel in de plaats stellen van de wetgever.

Prof. Emeritus UAntwerpen.

Commentaren en reacties